ECLI:NL:PHR:2011:BP4028
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep in schuldsaneringsregeling bij ontbreken gronden in beroepschrift
In deze zaak heeft de rechtbank het verzoek van de appellant tot toepassing van de wettelijke schuldsanering afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van te goeder trouw zijn en onvoldoende vertrouwen in nakoming van verplichtingen.
De appellant stelde hoger beroep in, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte waarop het beroep rustte, zoals vereist op grond van art. 359 Rv Pro in samenhang met art. 278 Rv Pro. De appellant voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte geen uitzondering maakte op deze eis, terwijl essentiële stukken ontbraken.
De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het ontbreken van gronden in het beroepschrift geen bijzondere omstandigheid is die een uitzondering rechtvaardigt. Ook het tijdig indienen van aanvullende gronden is beoordeeld conform de wettelijke termijnen. Het feit dat de mondelinge behandeling te laat plaatsvond, leidt niet tot het buiten toepassing laten van de termijnen voor het indienen van gronden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de appellant niet-ontvankelijk is in hoger beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en appellant blijft niet-ontvankelijk in hoger beroep.