ECLI:NL:PHR:2011:BN9685
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot oplegging van navorderingsaanslagen en boetes na termijnverloop in fiscale bestuursrechtelijke procedures
De zaak betreft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1996, 1997 en 1998, met daarbij opgelegde verhogingen en een boete. De Inspecteur had met de belanghebbende afspraken gemaakt om geen aanslagen tot behoud van rechten op te leggen vóór afronding van het boekenonderzoek, waarbij de belanghebbende afstand deed van een beroep op termijnverloop.
De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar het Hof vernietigde de verhogingen en boetebeschikking wegens onbevoegdheid tot oplegging na het verstrijken van de navorderingstermijn. Het Hof oordeelde dat de afspraak niet impliceerde dat ook de bevoegdheid tot boeteoplegging werd verlengd.
In cassatie werd onder meer de vraag gesteld of de bevoegdheid tot oplegging van boetes en verhogingen door tijdsverloop vervalt en of afstand van beroep op deze termijnverloop mogelijk is. De Hoge Raad bevestigt dat de bevoegdheid tot oplegging van bestuurlijke boetes ambtshalve moet worden getoetst op termijnverloop, ook als afstand is gedaan van het recht om zich op termijnverloop te beroepen.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de civielrechtelijke en bestuursrechtelijke aspecten van verval- en verjaringstermijnen, de werking van vaststellingsovereenkomsten, en de toepassing van artikel 6 EVRM Pro op fiscale boeteprocedures. De conclusie is dat afspraken die de vervaltermijn voor boeteoplegging passeren in beginsel nietig zijn, tenzij de wettelijke regeling anders bepaalt. De zaak bevestigt de noodzaak van expliciete afspraken voor verlenging van de boetebevoegdheid en de ambtshalve toetsing door de rechter.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bevoegdheid tot oplegging van boetes vervalt door tijdsverloop en vernietigt de buiten termijn opgelegde verhogingen en boetebeschikking.