ECLI:NL:PHR:2011:BN6350
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Redelijke schatting en omkering bewijslast bij navorderingsaanslagen buitenlandse bankrekeningen
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over buitenlandse bankrekeningen bij Kredietbank Luxembourg (KB-Lux).
De Inspecteur baseerde zijn schatting van niet-aangegeven inkomsten en vermogens op gegevens van meewerkende belastingplichtigen met buitenlandse rekeningen, waarbij een correctiefactor van 1,5 werd toegepast vanwege hogere saldi bij weigeraars en ontkenners. Het Hof oordeelde dat de factor 1,5 onvoldoende was onderbouwd en verwierp deze correctie, maar achtte de overige schattingen redelijk en niet willekeurig.
Belanghebbende had geweigerd informatie te verstrekken, waardoor de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing was. Het Hof stelde dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen terecht had vastgesteld op basis van een redelijke schatting, mede omdat belanghebbende over de gegevens beschikte maar deze niet had verstrekt. De boete werd verminderd van 100% naar 64% wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In cassatie worden diverse klachten behandeld, waaronder de redelijkheid van de schatting, het gebruik van fotokopieën als bewijs, en de afwijzing van later ingebrachte bankdocumenten. De conclusie is dat de schatting, met uitzondering van de factor 1,5, redelijk is en dat het Hof zijn oordeel op juiste rechtsopvattingen heeft gebaseerd. Het bewijsaanbod van belanghebbende is terecht afgewezen vanwege procesorde en doelmatigheid.
De jurisprudentie bevestigt dat de Inspecteur bij gebrek aan medewerking een redelijke schatting mag maken, waarbij enige marge is toegestaan om te voorkomen dat belastingplichtigen worden beloond voor het niet verstrekken van informatie. De schatting mag niet willekeurig zijn, maar hoeft niet statistisch perfect te zijn. De zaak illustreert de toepassing van omkering van de bewijslast en de grenzen van redelijke schatting bij fiscale navorderingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de redelijkheid van de schatting van de Inspecteur, met uitzondering van de factor 1,5, en de rechtmatigheid van de boetevermindering.