ECLI:NL:PHR:2011:BN0646
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Levering van een onbebouwd terrein na sloop is belast met omzetbelasting en vrijgesteld van overdrachtsbelasting
In deze zaak staat centraal of de levering van een perceel waarop de sloop van bestaande gebouwen was aangevangen, moet worden aangemerkt als levering van een bestaand gebouw of als levering van een onbebouwd terrein. Belanghebbende had een perceel met oudere panden gekocht, waarvan de sloop al was begonnen door de verkoper. De vraag was of de verkrijging van dit perceel vrijgesteld is van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr).
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) over de uitleg van de Zesde richtlijn omzetbelasting. Het HvJ oordeelde dat de levering van een terrein waarop een oud gebouw staat dat gesloopt moet worden, en waarvan de sloop al was begonnen vóór de levering, moet worden beschouwd als levering van een onbebouwd terrein. Deze gecombineerde handeling van levering en sloop vormt één prestatie die niet onder de vrijstelling voor levering van bestaande gebouwen valt.
De Hoge Raad concludeert dat het geleverde terrein als bouwterrein moet worden aangemerkt, aangezien het gereed was om te worden bebouwd en bestemd was voor nieuwbouw. Op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1°, juncto lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968, is de levering van een bouwterrein belast met omzetbelasting. Dit betekent dat de verkrijging van belanghebbende vrijgesteld is van overdrachtsbelasting volgens artikel 15, lid 1, onderdeel a, van de Wbr. De Hoge Raad verklaart het beroep van belanghebbende gegrond en oordeelt dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing is.
Uitkomst: De levering van het perceel met gedeeltelijk gesloopte opstallen is aan te merken als levering van een bouwterrein, belast met omzetbelasting en vrijgesteld van overdrachtsbelasting.