ECLI:NL:PHR:2010:BO8444
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over renteaftrek bij externe acquisitie en toepassing artikel 10a Wet Vpb
Deze zaak betreft de fiscale behandeling van renteaftrek in het kader van een externe acquisitie gefinancierd met een combinatie van externe en interne leningen. De belanghebbende leende eind 1998 een bedrag van circa € 11 miljoen van een bank en stortte dit als kapitaal in haar Duitse dochter. Tevens werd een renteloze lening van circa € 149 miljoen verkregen van een verbonden lichaam in Ierland, waarvan een deel vervolgens werd doorgeleend aan de Duitse dochter. De centrale vraag was of de fictieve rente op het deel van de lening dat de banklening verving, aftrekbaar was volgens artikel 10a Wet Vpb.
De rechtbank oordeelde dat er een verband bestond tussen de kapitaalstorting en de gelieerde lening, maar dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zakelijke overwegingen aan de lening ten grondslag lagen, waardoor de rente niet aftrekbaar was. Het hof daarentegen achtte de rente wel aftrekbaar, stellende dat artikel 10a(2)(b) Wet Vpb teleologisch niet van toepassing was bij een externe acquisitie gefinancierd met een externe lening op concernniveau, en dat de belanghebbende het vereiste tegenbewijs van zakelijkheid had geleverd.
De Advocaat-Generaal betoogde dat het hof ten onrechte artikel 10a Wet Vpb buiten toepassing had gelaten en dat zowel de kapitaalstorting als de financiering ervan separaat op zakelijkheid moeten worden beoordeeld. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en stelt dat het verband tussen de kapitaalstorting en de gelieerde lening moet worden vastgesteld en dat de zakelijkheid van het deel van de lening dat de banklening vervangt, nader onderzocht moet worden. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader feitelijk onderzoek.
Deze uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 10a Wet Vpb ter voorkoming van uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag door renteaftrek bij concernfinancieringen en bevestigt dat zakelijke overwegingen en het verband tussen lening en kapitaalstorting nauwkeurig moeten worden vastgesteld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het verband en de zakelijkheid van de lening volgens artikel 10a Wet Vpb.