ECLI:NL:PHR:2010:BM8563
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling
De aanvrager is bij verstek veroordeeld wegens overtreding van artikel 2.2 lid 2 van de APV Amsterdam, omdat hij zich op 28 december 2007 op de openbare weg ophield met het oogmerk verdovende middelen te kopen of te verkopen. De aanvrager stelde dat niet hij, maar zijn broer het strafbare feit had gepleegd en dat zijn broer zijn persoonsgegevens had gebruikt.
Ter onderbouwing van het verzoek tot herziening werden stukken overgelegd, waaronder een uittreksel justitiële documentatie waaruit bleek dat de aanvrager in eerdere jaren veroordeeld was, een verklaring van een betrokkene die stelde dat de broer de naam van de aanvrager gebruikte, en een proces-verbaal waaruit bleek dat de broer zich soms als aanvrager voordeed.
De Hoge Raad stelt vast dat deze stukken uitsluitend betrekking hebben op eerdere feiten en niet op het strafbare feit van 28 december 2007. Er is geen onderbouwing dat de persoonsverwisseling ook in deze zaak heeft plaatsgevonden. Bovendien is vastgesteld dat de op de foto in het proces-verbaal afgebeelde persoon dezelfde is als de aangehouden verdachte. De stelling dat de aanvrager niet de dader is, is onvoldoende onderbouwd.
Daarom leidt het aangevoerde niet tot een ernstig vermoeden dat de kantonrechter, als zij hiervan op de hoogte was geweest, tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou zijn gekomen. Het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan ernstig vermoeden van persoonsverwisseling.