ECLI:NL:PHR:2010:BM0942
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt opzet bij onjuist doen van belastingaangiften inzake invoer auto's
Verzoeker, directeur van een onderneming die auto's importeerde en doorvoerde, werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over diverse kwartalen en jaren. De kern van het geschil betrof het recht op aftrek van voorbelasting over de ingevoerde auto's, die niet eigendom waren van de onderneming maar werden ingevoerd ten behoeve van een derde.
De verdediging voerde aan dat op grond van de Zesde Richtlijn recht op aftrek bestond omdat de auto's werden gebruikt voor belaste handelingen van de onderneming. De Hoge Raad oordeelde dat de auto's niet werden gebruikt voor de belaste diensten van de onderneming, die zich beperkten tot administratieve en logistieke handelingen, en dat de auto's zelf niet als bedrijfsmiddel werden gebruikt.
Daarnaast werd betoogd dat verzoeker niet met opzet handelde omdat hij de fiscale gevolgen niet kon overzien. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat opzet niet vereist dat de dader bewust was van het risico van te weinig belastingheffing, maar dat het aanvaarden van de aanmerkelijke kans op onjuistheid voldoende is. Het hof had op basis van de feiten vastgesteld dat verzoeker zich bewust was van de onjuistheden en verantwoordelijk was voor de aangiften.
De Hoge Raad constateerde tevens dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat leidde tot vermindering van de strafoplegging. De conclusie van de A-G strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: Verzoeker wordt veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften met vermindering van straf wegens overschrijding redelijke termijn.