ECLI:NL:PHR:2010:BM0895
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toerekening en inkomensschade na verkeersongeval met onvoldoende motivering over vergoedingsperiode
De zaak betreft de vergoeding van inkomensschade van eiser, die slachtoffer werd van een verkeersongeval waarbij zijn auto werd aangereden terwijl deze stilstond voor een rood stoplicht. De verzekeraar Winterthur, later rechtsopvolgster Reaal, erkende aansprakelijkheid. Eiser verloor zijn baan en kon door zijn lage opleidingsniveau moeilijk ander werk vinden. De rechtbank veroordeelde Winterthur tot betaling van schadevergoeding, waarbij de vergoedingsplicht eindigde op 18 mei 2006.
Het hof vernietigde dit vonnis en beperkte de vergoedingsplicht tot 1 juli 2004, met het oordeel dat eiser na die datum niet meer arbeidsongeschikt was. Het hof motiveerde onvoldoende waarom de vergoedingsplicht na die datum zou eindigen, terwijl eiser zich voldoende had ingespannen om werk te vinden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste toerekeningsmaatstaf hanteerde door de vergoedingsplicht binnen bepaalde grenzen te beperken en onvoldoende te motiveren waarom de vergoeding na 1 juli 2004 zou eindigen.
De Hoge Raad benadrukt dat bij schending van een verkeersnorm door de verzekerde een ruime toerekening geldt volgens art. 6:98 BW Pro. Ook wijst de Hoge Raad op het perspectief van personen met een beperkte opleiding die langdurig arbeidsongeschikt zijn geweest, dat niet rooskleurig is. Het hof heeft onvoldoende rekening gehouden met deze omstandigheden. De zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling, waarbij ook de inspanningen van eiser om werk te vinden en de rol van de verzekeraar bij re-integratie betrokken moeten worden.
De Hoge Raad wijst tevens op de onduidelijkheid in de motivering van het hof over de periode maart 2004 tot 1 juli 2004 en benadrukt dat de verwijzingsrechter moet beoordelen of eiser zich voldoende heeft ingespannen in de periode na 1 juli 2004. De verzekeraar heeft onvoldoende concreet verweer gevoerd om de schadevergoeding voor die periode uit te sluiten. De Hoge Raad benadrukt dat professionele aansprakelijke partijen een actieve rol dienen te spelen in de re-integratie van slachtoffers.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de vergoedingsperiode en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling.