ECLI:NL:PHR:2010:BL3651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij alimentatieverzoek en samenloop EEX-Verordening met Nederlands-Belgisch Executieverdrag
Partijen, beiden Nederlandse nationaliteit en woonachtig in België, waren gehuwd en gescheiden met afspraken over alimentatie. De vrouw vorderde onderhoudsbijdragen via de Belgische rechter, die zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Nederlandse rechter. De man betwistte vervolgens de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, hoewel hij eerder in België juist de Nederlandse rechter bevoegd had geacht.
De Nederlandse rechtbank en het hof verklaarden de Nederlandse rechter bevoegd, waarbij het hof oordeelde dat het beroep van de man op onbevoegdheid misbruik van procesrecht is, omdat hij zijn standpunt wijzigde na verwijzing en geen bijzondere omstandigheden aanvoerde. De Hoge Raad bevestigt dat de EEX-Verordening prevaleert boven het Executieverdrag en dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van art. 24 EEX Pro-Verordening, omdat de verweerder in Nederland is verschenen.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van de man af, benadrukt het belang van toegang tot de rechter conform art. 6 EVRM Pro en bevestigt dat procesrechtelijk misbruik kan leiden tot het negeren van een onbevoegdheidsverweer. Hiermee wordt de Nederlandse rechter bevoegd verklaard om de alimentatiezaak te behandelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en wijst het cassatieberoep van de man af wegens misbruik van procesrecht.