ECLI:NL:PHR:2010:BL1639
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardebepaling en schadeloosstelling bij vervroegde onteigening en toepassing Matser/Markus-leer
In deze onteigeningszaak staat de waardebepaling van een perceel grond ten behoeve van de reconstructie van de Nieuwe Hoefweg centraal. De rechtbank had het bestemmingsplan Nieuwe Hoefweg (N209), dat nog in procedure was, meegenomen in de waardebepaling, ondanks het bezwaar van eiseres dat dit plan buiten beschouwing had moeten blijven op grond van artikel 40c Ow en de Matser/Markus-leer.
De Hoge Raad bevestigt dat ook een bestemmingsplan dat nog in procedure is, kan worden betrokken bij de waardebepaling indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat het plan in werking zal treden. Echter, als de gemeente bij het vaststellen van het bestemmingsplan feitelijk geen andere keuze had dan aan te sluiten bij een plan van het Rijk of de Provincie, moet het plan buiten beschouwing worden gelaten (Matser/Markus-leer). In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank dit leerstuk te eng heeft toegepast en dat het bestemmingsplan Nieuwe Hoefweg (N209) gezien de nauwe relatie met het werk waarvoor onteigend wordt, en de betrokkenheid van hogere overheden, als een dwangbestemming moet worden beschouwd.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad de vraag of de complexwaarde moet worden toegekend, de toepassing van artikel 40e Ow voor waardevermeerdering door planschade, en de vergoeding van kosten voor juridische en deskundige bijstand. De rechtbank had de complexwaarde niet toegekend omdat het perceel niet tot het complex behoorde, hetgeen niet werd bestreden. De Hoge Raad bevestigt dat het feit dat het bestemmingsplan nog niet vigerend was, geen beletsel vormt voor toepassing van artikel 40e Ow. Ook de motivering van de rechtbank voor de kostenvergoeding wordt als voldoende beoordeeld.
Uiteindelijk vernietigt de Hoge Raad het tussenvonnis en het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam, met name vanwege de onjuiste toepassing van de Matser/Markus-leer door de rechtbank.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en het tussenvonnis en eindvonnis van de rechtbank worden vernietigd vanwege onjuiste toepassing van de Matser/Markus-leer.