ECLI:NL:PHR:2010:BL0594
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betaling door derde en aansprakelijkheid in concernkredietfaciliteit bij faillissement dochterondernemingen
In deze zaak staat centraal of een betaling door ING op de rekening van een dochteronderneming van [eiseres] kan worden aangemerkt als een betaling door een derde in de zin van art. 6:30 BW Pro, waardoor het openstaande krediet op de dochterondernemingen en daarmee de aansprakelijkheid van [eiseres] zou zijn afgelost.
De feiten betreffen een concernkredietfaciliteit verstrekt door Postbank aan [eiseres] voor haar dochterondernemingen, waarvan meerdere failliet zijn verklaard. ING heeft de vordering van Postbank gekocht en een betaling verricht op een rekening van een dochteronderneming, met de bedoeling de koopsom te voldoen. Het hof oordeelde dat deze betaling niet was bedoeld om de vordering op [eiseres] en haar dochters af te lossen.
De Hoge Raad bevestigt dat nakoming door een derde alleen plaatsvindt indien de derde bewust de verbintenis van de schuldenaar voldoet. De betaling door ING was gericht op de koopsom en niet op het aflossen van de schuld van [eiseres]. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de correctieboeking na faillissement van de dochteronderneming rechtsgeldig was en dat het beroep op verjaring faalt omdat de kredietrelatie niet is gestaakt. De conclusie is dat [eiseres] aansprakelijk blijft voor het openstaande saldo.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de betaling door ING niet als nakoming door een derde geldt en [eiseres] aansprakelijk blijft voor het openstaande krediet.