ECLI:NL:PHR:2010:BK8635
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het bevel tot inbewaringstelling in faillissement en de rol van de curator
In deze zaak staat centraal de vraag of het hof het bevel tot inbewaringstelling van een gefailleerde terecht heeft afgewezen omdat de curator niet onmiddellijk tot tenuitvoerlegging is overgegaan. De gefailleerde exploiteerde een eenmanszaak en werd failliet verklaard. De curator verzocht om inbewaringstelling wegens het niet nakomen van verplichtingen zoals het afgeven van administratie en roerende zaken.
De rechtbank gaf het bevel tot inbewaringstelling, maar het hof vernietigde dit en wees het verzoek af, onder meer omdat het bevel nog niet was uitgevoerd en de curator geen actieve rol had genomen in de tenuitvoerlegging. De Hoge Raad stelt dat het bevel weliswaar uitvoerbaar bij voorraad is, maar niet onder alle omstandigheden onmiddellijk hoeft te worden uitgevoerd. De mate van urgentie kan per geval verschillen en externe factoren kunnen de uitvoering vertragen.
Verder is de curator niet verplicht om onverwijlde tenuitvoerlegging af te dwingen, al kan hij wel een toezichthoudende rol hebben afhankelijk van de omstandigheden. Het achterwege blijven van onmiddellijke uitvoering betekent niet automatisch dat het bevel zijn doel verliest. De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof dat de curator zich niet meer op de noodzaak van inbewaringstelling kan beroepen vanwege het uitblijven van onmiddellijke uitvoering.
De zaak benadrukt de discretionaire bevoegdheid van de rechter bij inbewaringstelling en het belang van een belangenafweging tussen het recht op persoonlijke vrijheid en de belangen van de boedel. Het arrest verduidelijkt de reikwijdte van art. 87 Faillissementswet Pro en de rol van curator en rechter bij de tenuitvoerlegging van een bevel tot inbewaringstelling.
Uitkomst: Het bevel tot inbewaringstelling hoeft niet onmiddellijk te worden uitgevoerd en de curator is niet verplicht onverwijlde tenuitvoerlegging af te dwingen.