ECLI:NL:PHR:2010:BJ3722

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04213 B
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 126e lid 1 SvArt. 126b SvArt. 23.4 SvArt. 23.5 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proportionaliteit conservatoir beslag en procedurele aspecten bij beklag ex art. 552a Sv

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een beschikking van de Rechtbank Haarlem die het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaarde betreffende conservatoir beslag op banktegoeden.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij een beklag over beslag de proportionaliteit moet toetsen, waarbij hij kan afgaan op mededelingen van de rechter-commissaris op basis van art. 126e lid 1 Sv. Tevens wordt verduidelijkt dat het Openbaar Ministerie niet verplicht is om alle stukken van het strafdossier (SFO) aan de raadkamer te overleggen als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ ex art. 23.4 Sv, noch dat de raadkamer moet beoordelen of kennisneming door de verdediging moet worden onthouden ex art. 23.5 Sv.

Ten slotte wordt bevestigd dat de enkelvoudige kamer bevoegd is om eenvoudige zaken te behandelen en dat dit oordeel aan de feitenrechter is voorbehouden en niet in cassatie kan worden bestreden.

Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de middelen falen en er geen reden is tot ambtshalve vernietiging van de bestreden beschikking.

De zaak hangt samen met andere zaken waarin soortgelijke conclusies zijn gegeven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de Rechtbank Haarlem blijft in stand.

Conclusie

Nr. 08/04213 B
Mr. Bleichrodt
Zitting 7 juli 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 10 april 2008 het klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv van klaagster ongegrond verklaard.
2.1 Mr. C. Vogtschmidt, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens klaagster beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.T.C. Leliveld en mr. J.S. Spijkerman, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.(1)
2.2. Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen dient te worden bezien of klaagster in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
Op 13 november 2008 is bij de griffie van de Hoge Raad een faxbericht ingekomen van mr. J.T.C. Leliveld, advocaat te 's-Gravenhage, met betrekking tot deze zaak (met vermelding van het juiste griffienummer). Dat faxbericht houdt in dat de cassatieschriftuur is bijgevoegd. Er is echter een verkeerde schriftuur bijgevoegd, te weten de schriftuur in de zaak van medeklager [A] B.V. Op 18 november 2008 (buiten de gestelde termijn van art. 437 lid 2 Sv Pro) is alsnog het origineel van de juiste schriftuur ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, dus het stuk met vermelding van de naam van klaagster en bovenstaand griffienummer.
2.3 De namens medeklager [A] B.V. (tijdig) ingekomen schriftuur is ook ingediend door mr. J.T.C. Leliveld en na vergelijking van beide schrifturen blijkt dat de cassatiemiddelen in de zaak van [A] B.V. woordelijk gelijk zijn aan die in de zaak tegen [klaagster] In principe had de raadsman in deze samenhangende zaken, waarin de Rechtbank ook bij één beschikking heeft beslist, kunnen volstaan met één gezamenlijke schriftuur,(2) maar dat is niet gebeurd.
Echter, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de middelen in de tijdig, op 13 november 2008, ingekomen, maar van een verkeerde naam en griffienummer voorziene, schriftuur onmiskenbaar (ook) betrekking hebben op de onderhavige zaak, meen ik dat kan worden aangenomen dat die schriftuur in de onderhavige zaak is ingediend, zodat klaagster in haar beroep ontvankelijk is.
3. Voor wat betreft de bespreking van de middelen verwijs ik naar de conclusie in de zaak [A] B.V., die ik in kopie aan deze conclusie hecht. Op grond van een en ander meen ik dat de middelen falen.
4. Nu er ook geen grond bestaat tot ambtshalve vernietiging van de bestreden beschikking, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaaknummers 08/04214B ([A] B.V.) en 08/04212B ([betrokkene 1]), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
2 Zie HR 23 mei 1989, NJ 1989, 760, m.nt. Th.W. Veen; Zie ook HR 15 juni 2004, LJN AO9626, waaruit volgt dat een enkele verwijzing naar een in een zaak tegen een medeverdachte ingediende schriftuur niet voldoende is.