ECLI:NL:PHR:2009:BK0867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Erkenning Belgisch faillissement en gevolgen voor Nederlandse rechtsvordering
In deze zaak staat centraal de erkenning van het Belgische faillissement van de vennootschap PdC en de gevolgen daarvan voor een in Nederland aanhangig gemaakte rechtsvordering van HBU tegen PdC.
De Belgische rechter heeft PdC op 15 december 2008 failliet verklaard. Op grond van artikel 16 van Pro de Europese Insolventieverordening wordt dit faillissement automatisch erkend in Nederland. De Hoge Raad bevestigt dat hierdoor de Nederlandse procedure met betrekking tot de vordering van HBU tegen PdC van rechtswege geschorst is, zoals bepaald in artikel 29 van Pro de Nederlandse Faillissementswet.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de toepasselijkheid van de Insolventieverordening op lopende rechtsvorderingen die slechts tot doel hebben de schuldenaar te veroordelen tot betaling van een schuld. Hoewel twijfel bestaat over de kwalificatie van dergelijke vorderingen onder artikel 15 van Pro de Insolventieverordening, concludeert de Hoge Raad dat de gevolgen van het insolventiebesluit voor deze vorderingen beheerst worden door het recht van de lidstaat waar de rechtsvordering aanhangig is, hier Nederland.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en bevestigt dat de Nederlandse rechter de schorsing van het geding ambtshalve uitspreekt. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het internationale insolventierecht en de relatie tussen Belgische faillissementsprocedures en Nederlandse civiele procedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieprocedure geschorst vanaf de datum van het Belgische faillissement van PdC.