ECLI:NL:PHR:2009:BK0282
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing belasting zware motorrijtuigen voor lijnrijders ondanks verkoopinrichting vrachtwagen
Deze zaak betreft een vijftal proefprocedures over de belasting zware motorrijtuigen, waarbij lijnrijders bloemen en planten vervoeren en verkopen vanuit hun vrachtwagens. De centrale vraag is of deze voertuigen, ondanks verkoopvoorzieningen zoals een zijdeur met trap en koelinstallatie, uitsluitend bestemd zijn voor goederenvervoer in de zin van de Wet belasting zware motorrijtuigen en de Europese richtlijn 1999/62/EG.
De rechtbank oordeelde dat de vrachtwagens niet uitsluitend voor goederenvervoer bestemd waren vanwege de verkoopfunctie, maar het hof stelde zich op het standpunt dat de algemene bestemming van de voertuigen het vervoer van goederen is. De Hoge Raad bevestigt dat de kenmerkende eigenschappen van de vrachtwagens wijzen op vervoer van goederen en dat de verkoopvoorzieningen onvoldoende zijn om de bestemming te wijzigen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat vennootschappen onder firma geen kentekenhouder kunnen zijn en dus niet belastingplichtig zijn voor deze heffing. Bezwaar en beroep door een vennootschap onder firma zijn daarom niet-ontvankelijk. Het hof heeft het beroep van de vennootschap onder firma ten onrechte ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad verwerpt voorts het beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot beleidsbesluiten van de staatssecretaris, omdat deze niet het feitelijke gebruik maar de algemene bestemming van het voertuig bepalen. Ook de toegewezen proceskostenvergoeding wordt niet verhoogd. De conclusie is dat de belastingheffing terecht is en dat de vennootschap onder firma niet als belastingplichtige kan optreden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de vennootschap onder firma niet-ontvankelijk en bevestigt dat de vrachtwagen uitsluitend bestemd is voor goederenvervoer en belasting zware motorrijtuigen verschuldigd is.