ECLI:NL:PHR:2009:BJ9439
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid samenwerkingsovereenkomst wegens schending verbod mededingingsbeperkende maatregelen bij verhuur winkelruimte met koopoptie
In deze zaak staat de vraag centraal of een samenwerkingsovereenkomst tussen Prisma Vastgoed en [verweerder] c.s. nietig is vanwege strijd met het verbod op mededingingsbeperkende afspraken zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Mededingingswet. De overeenkomst bevatte onder meer een koopoptie gekoppeld aan een verplichting om bij beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst aan Prisma Vastgoed een terugkoopoptie te verlenen, en een non-concurrentiebeding.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat deze bepalingen een mededingingsbeperkende strekking hebben en derhalve nietig zijn op grond van artikel 6 lid 2 Mededingingswet Pro. Het hof had de relevante geografische markt beperkt tot het verzorgingsgebied van [plaats], maar de Hoge Raad oordeelt dat de relevante markt nationaal is, conform de vaste praktijk van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Deze geografische marktafbakening is essentieel voor de beoordeling van het merkbaarheidsvereiste en de mededingingsbeperkende strekking.
Verder wordt geoordeeld dat de toepassing van artikel 3:42 BW Pro (wettelijke conversie) op bedingen die op grond van artikel 6 lid 2 Mededingingswet Pro nietig zijn, praktisch niet mogelijk is. De nietigheid is absoluut en de partijen dienen zelf een nieuwe overeenkomst te sluiten. De Hoge Raad benadrukt dat het eigendomsrecht van Prisma Vastgoed niet per definitie strijdig is met het mededingingsrecht, maar de specifieke combinatie van verplichtingen in deze overeenkomst wel.
De uitspraak bevestigt dat mededingingsrechtelijke toetsing van privaatrechtelijke overeenkomsten een zorgvuldige marktanalyse vereist, waarbij de nationale markt als uitgangspunt geldt. De nietigheid van de mededingingsbeperkende bepalingen leidt tot het verval van de samenwerkingsovereenkomst en de daaraan verbonden rechten en verplichtingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de nietigheid van de samenwerkingsovereenkomst wegens strijd met artikel 6 Mededingingswet en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met een nationale geografische marktafbakening.