ECLI:NL:PHR:2009:BI9747
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg artikel 3.154 lid 8 Wet IB 2001 over middeling bij bereiken 65-jarige leeftijd in januari
Belanghebbende, geboren op 23 januari 1937, verzocht om middelingsteruggaaf over 2002-2004. De Inspecteur berekende deze teruggaaf met toepassing van artikel 3.154 lid 8 Wet IB 2001, waarbij werd aangenomen dat de premie volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak werd gesteld alsof AOW-premie verschuldigd was, ondanks dat belanghebbende vanaf 1 januari 2002 geen AOW-premie meer verschuldigd was.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In cassatie stelde belanghebbende dat de toepassing van artikel 3.154 lid 8 niet correct was, omdat in het middelingstijdvak geen AOW-premie verschuldigd was geweest. De Hoge Raad concludeert dat de letterlijke uitleg van lid 8 niet strookt met de wetsgeschiedenis en het doel van de regeling wanneer de belastingplichtige in januari van het eerste jaar 65 wordt.
De Hoge Raad stelt dat in dat specifieke geval de premie niet fictief op het volle tarief moet worden gesteld voor alle jaren, omdat het probleem van splitsing van het inkomen in een deel voor en na het bereiken van 65 jaar zich niet voordoet. Daarom wordt het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de beschikking van de Inspecteur vernietigd, en wordt de teruggaaf vastgesteld op het door belanghebbende gevorderde bedrag van € 10.473.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraak en stelt de middelingsteruggaaf vast op € 10.473, waarbij de toepassing van artikel 3.154 lid 8 Wet IB 2001 wordt beperkt voor belastingplichtigen die in januari van het eerste jaar 65 worden.