ECLI:NL:PHR:2009:BI1423

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02162
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMWet op de accijns
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

Het Gerechtshof Arnhem veroordeelde verdachte tot twee jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van verschillende accijnsdelicten, waaronder het vervaardigen en voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten de daarvoor aangewezen plaatsen, het in voorraad hebben van vervalste merken en namaakwaren, en deelneming aan een criminele organisatie. Daarnaast werden schadevergoedingsmaatregelen opgelegd ten gunste van twee benadeelde partijen.

Verdachte stelde cassatieberoep in, waarbij één middel werd aangevoerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad constateerde dat tussen het instellen van het cassatieberoep en het ontvangen van de stukken bij de Hoge Raad meer dan twintig maanden waren verstreken, wat een overschrijding van ruim een jaar betekent.

Gelet op de aard van de sanctie en de mate van overschrijding achtte de Hoge Raad strafvermindering op zijn plaats. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het de straf betreft en stelde de straf vast op een gebruikelijke maatstaf. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. Er werden geen gronden gevonden om ambtshalve het arrest te vernietigen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 08/02162
Mr. Knigge
Zitting: 14 april 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, verdachte bij arrest van 12 september 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren wegens 1. medeplegen van: een accijnsgoed vervaardigen buiten een accijnsgoederenplaats voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, opzettelijk begaan en medeplegen van: een accijnsgoed voorhanden hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is betrokken, opzettelijk begaan; 2. medeplegen van: opzettelijk vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent en medeplegen van: opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of het merk waarop een ander recht heeft, in voorraad heeft gehad, terwijl de schuldige het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent en medeplegen van: opzettelijk waren, op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst, in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent; 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als nader in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de behandeling van de zaak niet binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro heeft plaatsgevonden.
4. In de toelichting op het middel merkt de steller van het middel terecht op dat tussen de datum van het instellen van het beroep in cassatie en de datum waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen meer dan twintig maanden zijn verstreken.
5. De klacht betreft een termijnoverschrijding van ruim een jaar, welke tot gevolg heeft gehad dat het cassatieberoep niet binnen twee jaar na het instellen ervan wordt afgehandeld. Gelet op de aard van de sanctie en de mate waarin de redelijke termijn is geschonden, dient strafvermindering te volgen.
6. Het middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaak 08/02336 waarin ik heden ook concludeer.