ECLI:NL:PHR:2009:BG5047
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging hoofdverblijfplaats en omgangsregeling minderjarige kinderen na verhuizing moeder
Partijen, voormalige echtelieden, hebben twee minderjarige kinderen met gezamenlijk gezag. Na hun scheiding is overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben met een ruime omgangsregeling voor de vader.
De moeder wil met de kinderen verhuizen naar de woning van haar nieuwe partner in een andere plaats en hen daar naar school laten gaan. De vader verzet zich hiertegen en verzoekt de rechtbank om de hoofdverblijfplaats bij hem te laten plaatsen en de kinderen op de oude school te houden.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader af en stelt vast dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, waarbij een aangepaste omgangsregeling wordt vastgesteld. Het hof bevestigt dit oordeel en vernietigt alleen de modaliteiten van de omgangsregeling om die opnieuw vast te stellen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vader. Het hof heeft de belangen van beide ouders en de kinderen zorgvuldig afgewogen, waarbij de mening van de kinderen is meegewogen maar niet doorslaggevend was. De voorgenomen verhuizing brengt enige aanpassing mee maar is niet in strijd met het belang van de kinderen. De afstand is gering en de omgang met de vader kan worden voortgezet in aangepaste vorm.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de belangenafweging begrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft gemaakt en dat het cassatiemiddel faalt.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de kinderen blijft bij de moeder ondanks haar verhuizing, met een aangepaste omgangsregeling voor de vader.