ECLI:NL:PHR:2009:BG3502
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert straf wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
De zaak betreft een verdachte die als vennoot van een vennootschap onder firma werd veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften en het opzettelijk vernietigen van de administratie door verbranding, waardoor te weinig belasting werd geheven.
Het hof veroordeelde de verdachte tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was wegens het una via-beginsel, omdat aan de vennootschap reeds een boete was opgelegd. Dit beroep werd verworpen omdat de boete was opgelegd op grond van een andere wettelijke bepaling dan die waarop de strafvervolging was gebaseerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het una via-beginsel niet van toepassing is en dat de strafoplegging voldoende gemotiveerd is. Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de straf moet worden verminderd.
De conclusie van de Procureur-Generaal leidt tot vernietiging van het hofarrest voor zover het de straf betreft, met vermindering van de opgelegde straf, en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de veroordeling voor belastingfraude en vernietiging van administratie.