ECLI:NL:PHR:2009:BF7316
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid gebruikelijkheidstoets bij zelfstandigenaftrek in man-vrouwfirma
Belanghebbende, die samen met haar echtgenoot een huisartsenpraktijk drijft, voerde in cassatie aan dat de gebruikelijkheidstoets in art. 3.6 lid 2 Wet IB 2001 leidt tot onrechtvaardige discriminatie en strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze toets sluit uren van ondersteunende werkzaamheden binnen een samenwerkingsverband met verbonden personen uit voor het urencriterium dat toegang geeft tot zelfstandigenaftrek.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof Amsterdam dat de gebruikelijkheidstoets niet onverenigbaar is met verdragsrechtelijke discriminatieverboden, noch met het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het Hof heeft geoordeeld dat de situaties die belanghebbende vergelijkt niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt en dat er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van fiscale regelingen en dat het gebruikelijkheidscriterium juist is bedoeld om misbruik van ondernemersfaciliteiten te voorkomen. De toets voorkomt dat samenwerkingsverbanden tussen verbonden personen worden gebruikt om onterecht zelfstandigenaftrek te verkrijgen.
De conclusie is dat de gebruikelijkheidstoets rechtmatig is toegepast en dat de weigering van zelfstandigenaftrek in deze context niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of discriminatieverboden. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de gebruikelijkheidstoets rechtmatig is toegepast bij de weigering van zelfstandigenaftrek.