ECLI:NL:PHR:2009:BF0389
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de doorschuiffaciliteit bij overdracht onderneming zonder bedrijfspand
Belanghebbende droeg zijn onderneming over aan een werknemer, waarbij het bedrijfspand niet werd overgedragen maar verhuurd. Voorafgaand aan de overdracht werd het pand overgebracht naar het privé-vermogen van belanghebbende, waarbij fiscaal werd afgerekend over de boekwinst. De Inspecteur weigerde toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 3.63 Wet IB 2001 omdat het niet-overgedragen bedrijfspand geen zelfstandig deel van de onderneming zou vormen.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat de doorschuiffaciliteit alleen geldt indien het niet-overgedragen gedeelte een zelfstandige onderneming vormt. Belanghebbende stelde in cassatie dat de wettekst geen beperking kent ten aanzien van onttrekking van vermogensbestanddelen voorafgaand aan overdracht.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 3.63 Wet IB 2001 inhoudelijk niet is gewijzigd ten opzichte van artikel 17 Wet Pro IB 1964 en dat de eis dat het niet-overgedragen gedeelte een zelfstandige onderneming vormt niet geldt. De onttrekking van het bedrijfspand aan het ondernemingsvermogen staat de toepassing van de doorschuiffaciliteit niet in de weg, mits fiscaal wordt afgerekend over de stille reserve. Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en het belastbaar inkomen dient dienovereenkomstig te worden aangepast.
Uitkomst: De doorschuiffaciliteit van artikel 3.63 Wet IB 2001 is van toepassing ondanks het niet-overdragen van het bedrijfspand, mits fiscaal wordt afgerekend over de stille reserve.