ECLI:NL:PHR:2009:BD4446
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepasselijkheid van de verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse inkomsten en het verbod van détournement de pouvoir
In deze zaak staat centraal of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing is wanneer de inspecteur reeds binnen de reguliere termijn van vijf jaar over alle benodigde gegevens beschikt om een navorderingsaanslag op te leggen. Belanghebbende had inkomsten uit een Pools-Russische handelstransactie ontvangen die op een Nederlandse bankrekening waren gestort en in de aangifte waren opgenomen, maar onjuist waren gekwalificeerd als dividend.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de inspecteur niet bevoegd was de navorderingsaanslag na de reguliere termijn op te leggen omdat de benodigde gegevens al bekend waren, en dat het wachten met opleggen in strijd was met het verbod van détournement de pouvoir zoals neergelegd in artikel 3:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat de verlengde navorderingstermijn bedoeld is voor situaties waarin de controlemogelijkheden van de fiscus tekortschieten vanwege het buitenlandse karakter van inkomsten of vermogensbestanddelen. Indien de inspecteur echter binnen de reguliere termijn over alle noodzakelijke gegevens beschikt, is de verlengde termijn niet van toepassing. Bovendien is het opleggen van een navorderingsaanslag na het verstrijken van de reguliere termijn zonder nieuwe feiten in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is indien de inspecteur binnen de reguliere termijn over alle benodigde gegevens beschikte.