ECLI:NL:PHR:2009:BD4373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navordering douanerechten bij onjuiste tariefindeling en toepassing artikel 220 lid 2 onder b CDW
Belanghebbende, een douane-expediteur, deed in 2002 en 2003 aangiften voor het vrije verkeer van goederen die onjuist waren ingedeeld onder tariefpost 8531 10 30 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT), terwijl zij volgens de douane onder post 9405 van het GDT hadden moeten vallen. De douane had in voorgaande jaren soortgelijke goederen wel gecontroleerd zonder correcties, maar bij een administratieve controle in 2004 werd de verkeerde indeling vastgesteld en navordering van € 65.609,29 opgelegd.
Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het Communautair douanewetboek (CDW), omdat de douane de aangiften niet inhoudelijk had gecontroleerd en de goederen niet fysiek had opgenomen. Het beroep van belanghebbende op eerdere teruggaafbeschikkingen en de jarenlange acceptatie van de tariefindeling faalde.
In cassatie stelt belanghebbende dat het gehele feitencomplex, inclusief eerdere controles en teruggaafbeschikkingen, in aanmerking had moeten worden genomen. De Hoge Raad bevestigt dat iedere aangifte een zelfstandig belastbaar feit is dat op eigen waarde moet worden beoordeeld en dat het ontbreken van een actieve vergissing van de douaneautoriteiten navordering niet in de weg staat.
De conclusie benadrukt dat het beroep op artikel 220, lid 2, onder b, CDW slechts slaagt indien sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken en waarbij deze te goeder trouw heeft gehandeld. Het vertrouwensbeginsel kan niet buiten deze wettelijke regeling worden toegepast. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt navordering van douanerechten wegens ontbreken van vergissing van douaneautoriteiten.