ECLI:NL:PHR:2008:ZC8116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugwerkende kracht Wet ter bestrijding van BTW-constructies met onroerende zaken
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de Wet van 18 december 1995 (Wet Stb. 95/659) die met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995, 18.00 uur, de regeling voor belaste verhuur van onroerende zaken aanpaste. De belanghebbende had een pand gebouwd en verhuurde kantoorruimte aan de Kamer van Koophandel (KvK). De Inspecteur stelde dat de verhuur van een deel van het pand vrijgesteld was, omdat niet voldaan werd aan de voorwaarden van de overgangsregeling, met name dat het gehuurde vóór 1 april 1996 in gebruik genomen moest zijn en dat er een schriftelijke huurovereenkomst moest bestaan op 31 maart 1995, 18.00 uur.
Het Hof oordeelde dat niet was komen vast te staan dat het gehuurde vóór 1 april 1996 in gebruik was genomen en dat de statuten van de belanghebbende geen schriftelijke huurovereenkomst vormden. Ook het beroep op het communautaire vertrouwensbeginsel slaagde niet. De belanghebbende stelde in cassatie dat de overgangsregeling soepeler moest worden toegepast en dat het vertrouwensbeginsel geschonden was door de terugwerkende kracht van de wet.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. De statuten zijn geen juridisch afdwingbare huurovereenkomst. De voorwaarden van de overgangsregeling zijn cumulatief en kunnen niet worden versoepeld. Het vertrouwensbeginsel biedt geen bescherming tegen de terugwerkende kracht van de wet, zeker niet nu het wetsvoorstel tijdig was aangekondigd. De Hoge Raad bevestigt dat de terugwerkende kracht van de wet niet in strijd is met het gemeenschapsrecht en dat het aan de nationale rechter is om te toetsen of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
De conclusie bevat ook een uitgebreide analyse van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over terugwerkende kracht, het vertrouwensbeginsel en de aftrek van voorbelasting. Daarbij wordt onder meer het arrest Schloßstraße besproken, waarin het HvJ EG oordeelde dat het recht op aftrek van voorbelasting blijft bestaan, ook als het recht op belaste verhuur door wetswijziging vervalt, tenzij sprake is van fraude of misbruik. De Hoge Raad benadrukt dat de overgangsregeling en de terugwerkende kracht van de wet noodzakelijk waren om ongewenste BTW-constructies te bestrijden en marktverstoringen te voorkomen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de terugwerkende kracht van de Wet Stb. 95/659 niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel en dat de overgangsregeling strikt moet worden toegepast.