ECLI:NL:PHR:2008:BG3522

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11001 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn bij profijtontneming

Betrokkene is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot betaling van €7.470,- aan de Staat in het kader van profijtontneming. Tegen deze uitspraak is cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad constateert dat de inzendtermijn van acht maanden voor het indienen van cassatie is overschreden, aangezien de stukken pas na deze termijn zijn ontvangen.

De overschrijding van de inzendtermijn leidt tot schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6.1 EVRM. Reparatie van deze schending door een versnelde behandeling is niet meer mogelijk. Daarom moet dit verzuim worden gecompenseerd door vermindering van het bedrag dat aan betrokkene is opgelegd.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak uitsluitend voor zover het de hoogte van het te ontnemen bedrag betreft en past de gebruikelijke maatstaf toe om het bedrag te verminderen. Andere gronden voor vernietiging zijn niet aangetroffen. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige procedurele handelingen en de gevolgen van overschrijding van termijnen in strafrechtelijke ontnemingszaken.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het aan betrokkene opgelegde ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de inzendtermijn.

Conclusie

Nr. 07/11001 P
Mr. Knigge
Zitting: 4 november 2008
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Betrokkene is door het Gerechtshof te Amsterdam op 30 maart 2007 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.470,-.
2. Tegen deze uitspraak is namens betrokkene cassatieberoep ingesteld.
3. Namens betrokkene hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt over de schending van de inzendtermijn. Op 11 april 2007 is namens veroordeelde cassatieberoep ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn de stukken op 27 december 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Reparatie van deze schending door een voortvarende behandeling behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit verzuim dient te leiden tot vermindering van het ontnemingsbedrag.
5. Het middel slaagt. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat de hoogte betreft van het te ontnemen bedrag. De Hoge Raad kan het bedrag met de gebruikelijke maatstaf verminderen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG