ECLI:NL:PHR:2008:BG3505
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen binnen wettelijke termijn
In deze zaak heeft het gerechtshof te Arnhem verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2.000 wegens overtreding van de Wet bodembescherming. Namens verdachte is een middel van cassatie ingediend dat klaagt over de verwerping van het verweer dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard.
De Hoge Raad stelt vast dat het middel niet voldoet aan de eisen van art. 437 Sv Pro, omdat het geen stellige en duidelijke klacht bevat over een rechtsregel of vormvoorschrift. Bovendien is het middel niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman ingediend, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is.
De inhoudelijke klacht richt zich op de vraag of de juiste rechtspersoon is gedagvaard, waarbij het hof heeft geoordeeld dat verdachte en niet [A] Holding B.V. de strafrechtelijk verantwoordelijke is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op de bewijsmiddelen, waaronder het feit dat verdachte opdrachtgever was van bodemonderzoek en door de gemeente als verantwoordelijke werd aangemerkt.
De conclusie van de Procureur-Generaal is primair gericht op niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep en subsidiair op verwerping van het beroep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-indiening van middelen binnen de wettelijke termijn.