ECLI:NL:PHR:2008:BF7415
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlies en vaststelling van Nederlanderschap na Surinaamse onafhankelijkheid en naturalisatie moeder
De zaak betreft een verzoek van [verzoeker] tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 RWN Pro. [Verzoeker] betoogt primair dat hij mede-genaturaliseerd is met zijn moeder bij haar naturalisatie in 1983 en subsidiair dat hij vooruitlopend op een wetswijziging per 1 januari 1985 Nederlander zou zijn geworden.
De feiten tonen aan dat [verzoeker] ten tijde van de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 in Suriname verbleef en op grond van de Toescheidingsovereenkomst de Surinaamse nationaliteit van zijn vader verkreeg, waardoor hij het Nederlanderschap verloor. Zijn moeder herwon in 1983 via naturalisatie de Nederlandse nationaliteit, maar omdat dit vóór het overlijden van de vader was, kon [verzoeker] niet mede-genaturaliseerd worden volgens art. 6 WNI Pro.
De rechtbank wees het verzoek af en oordeelde dat [verzoeker] niet mede-genaturaliseerd was en dat vooruitlopen op een nog niet in werking getreden wetswijziging niet mogelijk was. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst klachten over schending van hoor en wederhoor, motivering en toepassing van art. 6 WNI Pro af. Tevens is het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet toereikend om de wettelijke regeling te doorbreken. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat [verzoeker] niet mede-genaturaliseerd is en het Nederlanderschap niet bezit.