ECLI:NL:PHR:2008:BF7412
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van interen op vermogen bij partneralimentatie na echtscheiding
In deze zaak staat de vraag centraal of van een man, die na echtscheiding een bijdrage in zijn levensonderhoud van zijn ex-echtgenote vordert, kan worden verlangd dat hij tijdelijk op zijn vermogen inteert om dubbele woonlasten te overbruggen.
De man en vrouw waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, maar maakten tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden op. Na ontbinding van het huwelijk verzocht de man om partneralimentatie. De rechtbank wees dit af, het hof bekrachtigde deze beslissing en oordeelde dat de man in staat moest worden geacht zijn eigen levensonderhoud te voorzien uit zijn vermogen en WAO-uitkering. Het hof vond dat het laten bouwen van een nieuwe woning een eigen keuze was en dat de man daarom niet mocht verwachten dat de vrouw bijspringt in de dubbele woonlasten.
De Hoge Raad bevestigt dat het vermogen een draagkracht- en behoeftebepalende omstandigheid is en dat onder omstandigheden van een alimentatiegerechtigde kan worden verlangd dat hij op zijn vermogen inteert. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de man en bevestigt het oordeel van het hof dat de man niet gerechtigd is tot een bijdrage van de vrouw voor de periode van dubbele woonlasten.
De uitspraak benadrukt dat het interen op vermogen niet automatisch wordt verlangd, vooral niet wanneer het vermogen nodig is voor bijvoorbeeld oudedagsvoorziening. Ook is van belang dat de man zijn keuze voor het laten bouwen van een nieuwe woning niet voldoende heeft onderbouwd, waardoor het hof mocht oordelen dat deze keuze niet op de vrouw kan worden afgewenteld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de man niet gerechtigd is tot partneralimentatie voor de periode van dubbele woonlasten en dat hij in redelijkheid op zijn vermogen kan interen.