ECLI:NL:PHR:2008:BF3940
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging van dwangsommen wegens niet-verwijderen afrastering na perceelsgrensgeschil
Eiseres en verweerder waren in geschil over de eigendom en perceelsgrens van een strook grond die onderdeel was van een eerder verkocht caravanpark. De rechtbank veroordeelde eiseres in 1999 tot het verwijderen van een afrastering die zij had geplaatst op de litigieuze perceelsgrens, met een dwangsom voor het niet-naleven hiervan. Het hof bekrachtigde dit vonnis en stelde vast dat eiseres vanaf 22 januari 2002 geen excuus meer had om niet te voldoen, waardoor zij dwangsommen verschuldigd was.
Eiseres voerde in cassatie aan dat zij de afrastering had verwijderd en dat zij niet kon worden gehouden aan dwangsommen over de periode vóór de duidelijke vaststelling van de erfgrens door het Kadaster. Ook stelde zij dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de overtreding bij de matiging van de dwangsommen.
De Hoge Raad oordeelt dat het vonnis en het daarop volgende arrest duidelijk inhielden dat de afrastering achter de erfgrens moest worden verwijderd, waarbij de erfgrens later door het Kadaster is vastgesteld. Het hof heeft terecht geoordeeld dat eiseres vanaf 22 januari 2002 geen excuus meer had om niet te voldoen en dat de dwangsommen niet voor matiging in aanmerking komen. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de veroordeling tot betaling van de dwangsommen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres blijft aansprakelijk voor de dwangsommen wegens het niet tijdig verwijderen van de afrastering.