ECLI:NL:PHR:2008:BC9936
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kennelijk onredelijk ontslag en weigering passende functie na ziekte
In deze zaak stond de vraag centraal of het ontslag van een werknemer per 6 juli 2004 kennelijk onredelijk was in de zin van artikel 7:681 lid 2 sub b BW Pro, en of de werknemer aanspraak kon maken op schadevergoeding. De werknemer was sinds 1979 in dienst bij HG International B.V. en viel in 2000 uit wegens ziekte. Na een periode van arbeidsongeschiktheid bood de werkgever hem een functie in de binnendienst aan, die de werknemer weigerde omdat hij zijn oorspronkelijke functie in deeltijd wilde hervatten.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en kende schadevergoeding toe. Het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering af, stellende dat de werkgever een passende functie had aangeboden die de werknemer als goed werknemer niet had mogen weigeren. De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht had geoordeeld dat de werkgever zich als goed werkgever had gedragen door een redelijke passende functie aan te bieden en dat de werknemer deze niet redelijkerwijs had mogen weigeren.
De Hoge Raad benadrukte dat bij de beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag onder meer de duur van het dienstverband, leeftijd, arbeidsongeschiktheid, re-integratie-inspanningen en de redelijkheid van het aanbod van passend werk relevant zijn. De conclusie van de advocaat-generaal was dat het cassatiemiddel faalt en het beroep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het ontslag is niet kennelijk onredelijk omdat de werkgever een passende functie aanbood die de werknemer onredelijk weigerde.