ECLI:NL:PHR:2008:BC9546
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks verjaring en EU-burgerschap
In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 28 september 2007 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Kroatië toelaatbaar verklaard. De opgeëiste persoon, een EU-burger, voerde verweer tegen de uitlevering op grond van het EU-verdrag en de Nederlandse uitleveringswet, stellende dat hij als EU-burger gelijkgesteld moet worden met een Nederlander en daarom niet uitgeleverd kan worden.
De Hoge Raad liet echter in het midden of de opgeëiste persoon binnen de personele werkingssfeer van het EG-verdrag valt en of artikel 4 van Pro de uitleveringswet binnen de materiële werkingssfeer valt. De Hoge Raad oordeelde dat er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling, omdat een niet-uitgeleverd persoon niet in Nederland vervolgd kan worden, terwijl een Nederlander dat wel kan.
Daarnaast werd het verweer dat het feit verjaard zou zijn verworpen. De rechtbank had voldoende aanknopingspunten dat het feit niet verjaard was en mocht afgaan op de mededelingen van de verzoekende staat, tenzij er ernstige aanwijzingen zijn van onjuistheid, wat hier niet het geval was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de toelaatbaarheid van de uitlevering. Het beroep op het EU-verdrag en verjaring faalde, en de Hoge Raad vond geen reden om ambtshalve te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Kroatië wordt bevestigd.