ECLI:NL:PHR:2008:BC8658
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Redelijke termijn bij voorlopige maatregel ex art. 29 WED niet gelijk aan voorlopige hechtenis
In deze zaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn van berechting bij voorlopige maatregelen opgelegd op grond van artikel 29 van Pro de Wet op de economische delicten (WED) gelijkgesteld kan worden aan de termijn die geldt bij voorlopige hechtenis, namelijk 16 maanden. De verdachte was veroordeeld voor het opzettelijk in voorraad hebben en verkopen van niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen.
De verdediging stelde dat de behandeling van de zaak binnen 16 maanden per instantie had moeten plaatsvinden, omdat de voorlopige maatregel vergelijkbaar zou zijn met voorlopige hechtenis. Het hof verwierp dit standpunt en stelde dat de aard van de maatregelen uiteenloopt en dat een voorlopige maatregel niet gelijkgesteld kan worden met voorlopige hechtenis. De overschrijding van de redelijke termijn leidde niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM, mede gelet op de ernst van het ten laste gelegde.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep in beginsel twee jaar bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De oplegging van een voorlopige maatregel ex art. 29 WED Pro vormt geen bijzondere omstandigheid die een kortere termijn rechtvaardigt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de redelijke termijn bij voorlopige maatregelen ex art. 29 WED niet gelijkgesteld kan worden aan die bij voorlopige hechtenis.