ECLI:NL:PHR:2008:BC5726
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over gedwongen ontheffing ouderlijk gezag bij langdurige pleegzorg en belang van het kind
De zaak betreft het verzoek tot gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag van de vader over zijn kind, dat sinds jonge leeftijd in een pleeggezin is geplaatst na de verdwijning van de moeder en de veroordeling van de vader voor doodslag op haar. Het kind is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst, waarbij deze maatregelen jaarlijks zijn verlengd. De vader stemt niet in met de ontheffing, maar verklaart wel bereid te zijn het kind in het pleeggezin te laten opgroeien.
De Hoge Raad bespreekt de toepassing van artikel 1:268 lid 2 onder Pro a BW, dat ontheffing mogelijk maakt indien na langdurige ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing gegronde vrees bestaat dat deze maatregelen onvoldoende zijn om ernstige bedreiging van het kind af te wenden. De Raad komt terug van eerdere rechtspraak die ontheffing uitsloot bij duurzame bereidheid van de ouder, en benadrukt dat het belang van het kind en de behoefte aan duidelijkheid over het opvoedingsperspectief zwaar wegen.
Het hof had geoordeeld dat de jaarlijkse verlenging van de maatregelen onzekerheid schept over het toekomstperspectief van het kind en dat twijfel bestond over de duurzaamheid van de bereidheid van de vader. De Hoge Raad bevestigt dat deze onzekerheid en twijfel een reden kunnen zijn om tot gedwongen ontheffing over te gaan, ook bij een ogenschijnlijk duurzame bereidheid van de ouder. De belangenafweging moet het belang van het kind vooropstellen, waarbij het recht op duidelijkheid en continuïteit in de opvoedingssituatie centraal staat.
Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen, waarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof worden bekrachtigd. De uitspraak sluit aan bij pedagogische inzichten en internationale verdragsbepalingen, waaronder het IVRK en het EVRM, die de bescherming van het kind en zijn ontwikkelingsbelang benadrukken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag bevestigd.