ECLI:NL:PHR:2008:BC2792
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsgeschil over eenzijdige opzegging arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn
In deze zaak staat centraal of de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer op 13 september 2002 met onmiddellijke ingang is opgezegd door de werkgever, zonder inachtneming van de opzegtermijn. De werkgever had de werknemer een brief gestuurd waarin zij bevestigde de werknemer weer in dienst te nemen zodra nieuwe opdrachten beschikbaar zouden zijn. De werknemer betwistte dat sprake was van een voorstel en stelde dat hem ontslag op staande voet was gegeven.
De kantonrechter oordeelde aanvankelijk dat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd omdat loon was doorbetaald tot 7 oktober 2002. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de werkgever de arbeidsovereenkomst eenzijdig had opgezegd met onmiddellijke ingang, zonder opzegtermijn, en veroordeelde de werkgever tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding.
De Hoge Raad beoordeelde de motiveringsklachten tegen het arrest van het hof en oordeelde dat het hof de brief van 16 september 2002 en de omstandigheden voldoende duidelijk had geïnterpreteerd als bevestiging van de opzegging. De klachten over de motivering en feitelijke grondslag faalden, evenals de klacht over de onjuiste verwijzing naar de memorie van grieven. De Hoge Raad concludeert dat het beroep in cassatie moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd zonder opzegtermijn, waardoor zij schadeplichtig is.