ECLI:NL:PHR:2008:BC2769
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over schadevergoeding na voortijdige opzegging bemiddelingsovereenkomst projectontwikkeling
De zaak betreft een geschil tussen een projectontwikkelaar en een vastgoed-commanditaire vennootschap (CV) over schadevergoeding na voortijdige opzegging van een bemiddelingsovereenkomst. De overeenkomst hield in dat de projectontwikkelaar exclusief zou bemiddelen bij de aankoop van gronden en planontwikkeling voor woningen. Achmea, de vastgoed-CV, zegde de opdracht op met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.
De projectontwikkelaar vorderde een vergoeding van ruim €336.000 wegens schade door voortijdige beëindiging, stellende dat Achmea onredelijk handelde en zij recht had op het 'volle loon' op grond van artikel 7:411 BW Pro en onvoorziene omstandigheden. De rechtbank wees de vordering af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat het beroep van Achmea op de opzegbepalingen niet onaanvaardbaar was en dat de risico's inherent waren aan projectontwikkeling.
In cassatie stelde de projectontwikkelaar dat het hof ten onrechte niet apart had beoordeeld of zij recht had op vergoeding voor de niet doorgezette aankoop van tuinbouwgrond eind januari 1998. De Hoge Raad verwierp dit beroep, overwegende dat de vordering mede op een bredere feitelijke grondslag was gebaseerd en dat het hof de redelijkheid en billijkheid juist had toegepast. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de vordering tot schadevergoeding na voortijdige opzegging is afgewezen.