ECLI:NL:PHR:2008:BA6418
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip 'opbrengst bij vervreemding' in de vervangingsreserve volgens art. 14 Wet IB 1964
In deze zaak staat de uitleg van het begrip 'opbrengst bij vervreemding' in art. 14 Wet Pro IB 1964 centraal, specifiek of verkoopkosten in mindering mogen worden gebracht op de vervreemdingsopbrengst bij de berekening van de vervangingsreserve. De Rechtbank Leeuwarden had geoordeeld dat het begrip netto-opbrengst betreft, waarbij verkoopkosten worden afgetrokken, en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
De Hoge Raad onderzoekt de tekst, wetsgeschiedenis en ratio van de vervangingsreserve, die zijn oorsprong vindt in de rampenreserve uit 1941. Uit de parlementaire geschiedenis en de gebruikte terminologie blijkt dat het begrip 'opbrengst' in de context van de vervangingsreserve een bruto-karakter heeft. De wetgever heeft niet expliciet aangegeven dat verkoopkosten in mindering moeten worden gebracht, en de ratio van de reserve is het voorkomen van liquiditeits- en rentenadelen door uitstel van belastingheffing over stille reserves.
De Hoge Raad concludeert dat de wetsgeschiedenis en het doel van de vervangingsreserve neigen naar een bruto-interpretatie van het begrip 'opbrengst bij vervreemding'. De latere parlementaire uitlatingen over de herinvesteringsreserve kunnen niet retroactief worden toegepast op de oude wetgeving. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en de zaak zelf afgedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de opbrengst bij vervreemding in art. 14 Wet IB 1964 bruto moet worden geïnterpreteerd, zonder aftrek van verkoopkosten.