ECLI:NL:PHR:2008:AZ0890
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aftrekbeperking deelnemingskosten in het licht van EG-verdragsvrijheden en Moeder-Dochterrichtlijn
In deze zaak staat de aftrek van deelnemingskosten door een Nederlandse houdstervennootschap centraal, waarbij kosten verbonden aan winst van kleindochters buiten de EU/EER niet aftrekbaar werden verklaard op grond van art. 13, lid 1, Wet Vpb (oud).
Het Hof Amsterdam had geoordeeld dat deze aftrekbeperking een verboden intra-EG-belemmering vormde van de vestigingsvrijheid en het vrije kapitaalverkeer, omdat de beperking mede de EU-dochters trof. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, terwijl de belanghebbende incidenteel beroep instelde tegen de afwijzing van aftrek voor kosten verbonden aan een Zwitserse dochter.
De Hoge Raad bevestigt dat de aftrekbeperking niet discrimineert tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties en dat zij gerechtvaardigd is door de standstill-bepaling van art. 57 EG Pro-Verdrag. De ratio van de regeling is territoriale matching van kosten en winst, ongeacht de juridische structuur. Het incidentele beroep faalt, de Staatssecretaris wordt in het principale beroep in het gelijk gesteld.
De Hoge Raad benadrukt dat nationale maatregelen zonder onderscheid die de kostprijs voor alle ondernemingen verhogen, niet snel in strijd zijn met EG-verdragsvrijheden, tenzij zij een feitelijk markttoegangsverbod vormen. De zaak bevestigt de rechtspraak dat door tussenhoudsters heen gekeken moet worden naar de locatie van de belastbare winst van kleindochters voor de toepassing van fiscale regels.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het principale beroep gegrond en bevestigt dat de aftrekbeperking niet in strijd is met EG-verdragsvrijheden.