ECLI:NL:PHR:2008:4
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens schijnconstructie in meststoffenwetgeving en valsheid in geschrift
De zaak betreft een pluimveehouder die samen met akkerbouwers een schijnconstructie opzette om meer mest te produceren dan wettelijk was toegestaan. Door pachtovereenkomsten en exploitatieovereenkomsten te sluiten, werd de indruk gewekt dat de akkerbouwers de stallen beheerden, terwijl feitelijk de verdachte de bedrijfsvoering behield en de mestproductierechten van de akkerbouwers gebruikte.
Het hof oordeelde dat deze constructie een schending van de Meststoffenwet en valsheid in geschrift inhield. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van € 50.000, subsidiair 180 dagen hechtenis. De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, wat tot strafvermindering moest leiden.
De verdediging voerde aan dat de mest niet op het bedrijf van de verdachte werd geproduceerd en dat de pachtovereenkomsten rechtsgeldig waren, maar dit werd door het hof verworpen op basis van feitelijke omstandigheden en juridische definities uit de Meststoffenwet. Ook het verweer dat valsheid in geschrift niet bewezen kon worden verklaard vanwege intentie om de overeenkomsten na te leven, werd verworpen omdat het oogmerk op het gebruik van de valse geschriften voldoende was aangetoond.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof, oordeelde dat de strafmotivering toereikend was en verwierp het cassatieberoep behalve voor de strafvermindering wegens termijnoverschrijding. De zaak illustreert de toepassing van strafrechtelijke normen op complexe constructies binnen landbouw- en milieurecht.
Uitkomst: De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van € 50.000, met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.