ECLI:NL:PHR:2007:BB9094
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Omgangsregeling zaaddonor met minderjarig kind na kunstmatige inseminatie
Deze zaak betreft een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen een zaaddonor en het minderjarige kind dat door kunstmatige inseminatie is verwekt. De moeder en de man hadden voorafgaand aan de bevruchting een hechte relatie en spraken af dat de man een rol in het leven van het kind zou krijgen, hoewel zij van mening verschilden over de mate daarvan. Na de geboorte heeft de man weinig tot geen contact gehad met het kind.
De rechtbank verklaarde het verzoek van de man niet-ontvankelijk omdat er geen nauwe persoonlijke betrekking zou zijn ontstaan. Het gerechtshof oordeelde echter dat, ondanks het ontbreken van een liefdesrelatie of samenwoning, door de intenties en het contact voorafgaand aan de geboorte een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind was ontstaan. Ook het feit dat het contact na de geboorte vrijwel ontbrak, maakte de man niet ontvankelijkheidsontvankelijk.
De moeder stelde in cassatie dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten. De Hoge Raad bevestigde dat het biologische vaderschap alleen niet voldoende is voor een omgangsrecht; bijkomende omstandigheden die een nauwe persoonlijke betrekking aantonen zijn vereist. Het hof heeft dit correct toegepast en gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgangsregeling wordt bevestigd.