ECLI:NL:PHR:2007:BB8752
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en rechtmatigheid van onttrekking aan het verkeer van runderen bij economische delicten
Betrokkene, een veehouder, werd veroordeeld voor het houden van 9 runderen die niet volgens de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 waren geregistreerd. 30 runderen betroffen een vrijspraak. De runderen werden vernietigd en de Officier van Justitie vorderde onttrekking aan het verkeer van deze 30 runderen. De rechtbank verklaarde deze vordering gegrond en het klaagschrift ongegrond.
De Hoge Raad besprak de bevoegdheid van economische kamers, waarbij werd vastgesteld dat ondanks het vervallen van art. 46 WED Pro, economische kamers in eerste aanleg als raadkamers optreden. De rechtmatigheid van de inbeslagname en vernietiging werd bevestigd, evenals de bevoegdheid van de Officier van Justitie om onttrekking aan het verkeer te vorderen, ook na een onherroepelijke vrijspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat de onttrekking aan het verkeer niet strijdig is met het ne bis in idem-beginsel of de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM Pro, omdat het feit waarvoor onttrekking wordt gevorderd een ander is dan het feit waarvoor vrijspraak werd verleend. Ook werd bevestigd dat de Europese verordeningen minimale sancties voorschrijven, maar strafrechtelijke handhaving niet uitsluiten. Vergoedingen voor de onttrokken runderen werden niet toegekend omdat geen verzoek daartoe was gedaan.
De middelen tot cassatie werden afgewezen, waarmee de beschikking tot onttrekking aan het verkeer werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de onttrekking aan het verkeer van de runderen.