ECLI:NL:PHR:2007:BB5616
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Instemming werknemer met gewijzigde ziekteregeling en loonbetaling tijdens ziekte
In deze zaak staat centraal of een werknemer heeft ingestemd met een door de werkgever eenzijdig vastgestelde nieuwe ziekteregeling, waarbij het loon bij ziekte werd verlaagd van 100% naar 70% met twee wachtdagen. De werknemer vorderde achterstallig loon over de periode 1995-1998 en betwistte zijn instemming met de nieuwe regeling.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever niet had bewezen dat de werknemer ondubbelzinnig had ingestemd met de wijziging, mede gelet op getuigenverklaringen en het ontbreken van protest door de werknemer. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat de regeling onderdeel was geworden van de arbeidsovereenkomst op grond van het vertrouwen dat de werkgever mocht hebben in de instemming van de werknemer.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor de werkgever geldt om aan te tonen dat de werknemer instemde met de loonverlaging, en dat de werkgever slechts mag vertrouwen op instemming indien ondubbelzinnig blijkt dat de werknemer het voorstel heeft aanvaard. De Hoge Raad vindt de bewijswaardering van de rechtbank niet onbegrijpelijk en wijst het cassatieberoep af.
Hiermee blijft de loonvordering van de werknemer voor de periode vóór juni 1998 deels toegewezen en wordt de nieuwe ziekteregeling niet geacht onderdeel van de arbeidsovereenkomst te zijn geworden zonder ondubbelzinnige instemming.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het oordeel van de rechtbank dat de werkgever niet heeft bewezen dat de werknemer instemde met de nieuwe ziekteregeling, in stand blijft.