ECLI:NL:PHR:2007:BB4761
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over toerekening van belastingschulden en bankgarantie tussen directeur-aandeelhouder en Ontvanger
Deze zaak betreft een geschil tussen een directeur-aandeelhouder van een vennootschap en de Ontvanger over de toerekening van betalingen aan verschillende belastingschulden en het gebruik van een bankgarantie. De vennootschap had naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting openstaan over de jaren 1993-1995, waarvoor een betalingsregeling met bankgarantie was getroffen. De directeur-aandeelhouder betaalde uit eigen middelen meerdere bedragen aan de Ontvanger, die deze betalingen deels toerekende aan de oude naheffingsaanslagen en deels aan latere belastingschulden.
De directeur betoogde dat de Ontvanger de betalingen uitsluitend aan de oude naheffingsaanslagen had moeten toerekenen en dat de bankgarantie niet voor andere schulden dan deze aanslagen mocht worden ingeroepen. Hij vorderde terugbetaling van onverschuldigde betalingen en stelde dat het inroepen van de bankgarantie onrechtmatig was. De rechtbank en het hof wezen deze vorderingen af, stellende dat de Ontvanger gerechtigd was de betalingen zo toe te rekenen en de bankgarantie aan te spreken binnen de gemaakte afspraken.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen. Het hof mocht aannemen dat de directeur zich bewust was van de toerekening aan meerdere belastingschulden en dat hij namens de vennootschap afspraken had gemaakt over de betalingsregeling en bankgarantie. Het hof oordeelde terecht dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet meebrengt dat de Ontvanger gehouden was terug te betalen. De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde dat de Ontvanger de bankgarantie mocht inroepen voor de openstaande belastingschulden, ook indien deze verder reikten dan de oorspronkelijke naheffingsaanslagen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de Ontvanger de betalingen terecht toerekende en de bankgarantie mocht inroepen.