ECLI:NL:PHR:2007:BB4203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toewijzing enquêteverzoek wegens gegronde twijfel aan juist beleid in familiebedrijf
Deze zaak betreft een geschil tussen vader en zoon die elk via een vennootschap 50% van de aandelen in een holding bezitten. De vader is bestuurder van de holding en heeft de zoon, die werknemer was, op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen na een ernstig conflict.
De zoon, via een andere vennootschap, verzocht de Ondernemingskamer om een enquête-onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de holding en haar dochtervennootschappen. De Ondernemingskamer oordeelde dat er gegronde redenen zijn om aan het beleid te twijfelen, onder meer vanwege een impasse in de algemene vergadering van aandeelhouders die de besluitvorming belemmert.
De vader en zijn vennootschap stelden cassatie in tegen dit oordeel, maar de Hoge Raad verwierp hun klachten. De Hoge Raad bevestigde dat de impasse in de besluitvorming en de persoonlijke conflicten tussen de aandeelhouders leiden tot gegronde redenen voor een enquête. Ook werd het oordeel van de Ondernemingskamer dat het beleid niet zakelijk verantwoord was, niet onbegrijpelijk bevonden.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk is en dat er geen ruimte is voor een feitelijke herbeoordeling in cassatie. Het verzoek tot cassatie werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het enquêteverzoek wordt toegewezen wegens gegronde redenen om aan het beleid te twijfelen.