ECLI:NL:PHR:2007:BA4678
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afschrijving monumentenpand in inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende kocht in 2000 een monumentenwoning uit 1767 en gaf voor 2001 een afschrijving van €5.700 op de aanschafprijs op in de aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur corrigeerde dit, omdat volgens hem de afschrijving forfaitair op 15% van het bruto eigenwoningforfait moest worden gesteld. Het hof stelde de afschrijvingstermijn op 50 jaar en de restwaarde op nihil, wat leidde tot een afschrijving van 2% per jaar, en corrigeerde het belastbaar inkomen.
De Minister van Financiën stelde cassatie in tegen het hofuitspraak met het middel dat het hof ten onrechte een volledige afschrijving over 50 jaar toestond, waardoor meer dan 100% van de aanschafprijs werd afgeschreven, en dat het hof onvoldoende rekening hield met de instandhoudingsverplichting en de leeftijd van het monument.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bespreekt uitgebreid de wettelijke achtergrond van de afschrijving op monumentenpanden, de forfaitaire regeling, de relatie tussen onderhoud en afschrijving, en de wijze van berekening van de afschrijving met gebruiksduur, restwaarde en kostprijs. De conclusie wijst erop dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een restwaarde nihil wordt aangenomen ondanks de instandhoudingsverplichting.
De zaak betreft de uitleg van artikel 6.31 Wet IB 2001 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, en de toepassing daarvan op monumentenpanden in 2001, vóór de invoering van de forfaitaire 15%-regeling in 2004. De Hoge Raad zal beoordelen of het hof zijn motiveringsplicht heeft vervuld en of het oordeel over de afschrijving en restwaarde juist is.
Uitkomst: Het hof heeft de afschrijvingstermijn op 50 jaar en de restwaarde op nihil gesteld, maar de Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de restwaarde nihil is ondanks de instandhoudingsverplichting.