ECLI:NL:PHR:2007:BA2507
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek onterfde echtgenote tot vestiging verzorgingsvruchtgebruik op nalatenschap
In deze zaak verzocht de onterfde echtgenote op grond van artikel 4:30 BW Pro de testamentair erfgenaam te bevelen mee te werken aan de vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik op de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. De erflater had haar bij testament uitgesloten en zijn broer als enige erfgenaam benoemd.
De rechtbank en het gerechtshof wezen het verzoek af omdat de echtgenote onvoldoende behoefte aan het vruchtgebruik had aangetoond, mede gelet op haar inkomsten, het rendement op vermogen en haar mogelijkheden tot aanvullende arbeid. Het hof achtte de omvang van de nalatenschap niet relevant voor de bepaling van het passende verzorgingsniveau.
De Hoge Raad bevestigde dat de langstlevende echtgenoot die niet als erfgenaam is aangewezen slechts recht heeft op het verzorgingsvruchtgebruik indien en voor zover hij daarvoor behoefte heeft. De stelplicht en bewijslast rusten op de echtgenoot. Het hof heeft dit correct toegepast en de klachten van de echtgenote werden verworpen. Ook haar verzoeken tot boedelbeschrijving werden afgewezen wegens gebrek aan belang.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het wettelijk verzorgingsvruchtgebruik, de criteria voor behoefte en het belang van de omvang van de nalatenschap bij de beoordeling daarvan. Tevens wordt ingegaan op de positie van de boedelnotaris en executeur in dergelijke procedures.
Uitkomst: Verzoek tot vestiging van verzorgingsvruchtgebruik door onterfde echtgenote wordt afgewezen wegens gebrek aan behoefte.