ECLI:NL:PHR:2007:BA0894
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden met onjuist tijdstip verrekening overwaarde woning
Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding dat tijdens het huwelijk niet werd uitgevoerd. De vrouw vorderde verrekening van vermogensbestanddelen, waaronder de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. De rechtbank kende haar een bedrag toe gebaseerd op de verkoopwaarde van de woning in 1998.
Het hof bekrachtigde dit vonnis, maar hield als peildatum voor de verrekening juni 1994 aan, het einde van de samenwoning. De man stelde in cassatie dat de waarde van de woning per juni 1994 als uitgangspunt moest gelden en niet de verkoopwaarde in 1998. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onverenigbaar handelde door enerzijds juni 1994 als peildatum te hanteren en anderzijds toch het hogere bedrag op basis van 1998 te bekrachtigen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de bekrachtiging van het vonnis betrof en besloot zelf het geschil af te doen. Hierbij werd uitgegaan van de waarde van de woning per juni 1994, conform de wettelijke bepalingen en de huwelijkse voorwaarden. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verweer dat de man niet tot bewijsvoering was toegelaten en bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat de man onvoldoende had gesteld om het vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro te ontzenuwen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en beslist zelf over de verrekening van de overwaarde van de woning op basis van de waarde per juni 1994.