ECLI:NL:PHR:2007:AZ5676
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatie in zaak poging tot verkrachting en poging tot doodslag
Op 28 maart 2003 werd verdachte in Amsterdam verdacht van meerdere ernstige strafbare feiten waaronder poging tot verkrachting, poging tot doodslag en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Diverse slachtoffers deden aangifte van gewelddadige seksuele aanrandingen waarbij verdachte geweld gebruikte en slachtoffers onder meer bij de keel kneep, bewusteloos sloeg en seksueel betastte.
Het bewijs bestond uit verklaringen van slachtoffers en getuigen, medische rapporten met vastgestelde letsels passend bij de aangifte, en uitgebreid DNA-onderzoek. Het Nederlands Forensisch Instituut voerde autosomaal en Y-chromosomaal DNA-onderzoek uit, waarbij het DNA van verdachte werd aangetroffen op kleding en op het lichaam van slachtoffers. De kans dat het DNA van een willekeurige persoon overeenkomt met dat van verdachte werd berekend op circa 1 op 195.000.
Het Gerechtshof Amsterdam veroordeelde verdachte tot zeven jaar gevangenisstraf voor de bewezenverklaarde feiten. Verdachte stelde in cassatie dat het DNA-bewijs onvoldoende bewijskracht had en onrechtmatig was, maar de Hoge Raad oordeelde dat alleen middelen van cassatie die voldoen aan wettelijke eisen in behandeling kunnen worden genomen. Omdat verdachte niet tijdig een schriftuur met middelen van cassatie had ingediend, werd hij niet-ontvankelijk verklaard. Subsidiair werd het middel inhoudelijk verworpen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en verwierp de cassatieklacht. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen. Het arrest benadrukt het belang van tijdige en formeel correcte cassatieprocedures en bevestigt de bewijskracht van het DNA-onderzoek in deze zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van middelen van cassatie; subsidiair wordt het beroep verworpen.