ECLI:NL:PHR:2007:AZ4568
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij vordering curator wegens weigering medewerking gefailleerde aan nalatenschap in buitenland
In deze zaak staat centraal of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om een vordering van een curator tegen een gefailleerde te behandelen, waarbij de curator vordert dat de gefailleerde medewerking verleent om zijn aandeel in een in Oostenrijk opengevallen nalatenschap ten gunste van de faillissementsboedel te laten komen.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat zij bevoegd was op grond van de woonplaats van de gefailleerde en verwierp de exceptie van onbevoegdheid. Tevens stelde de rechtbank vast dat de curator belang had bij de vordering, omdat de curator in Oostenrijk geen rechtshandelingen kan verrichten om de boedel te bevoordelen. De rechtbank wees de gevorderde voorzieningen toe.
Het hof Arnhem bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de weigering van de gefailleerde om een volmacht te tekenen onrechtmatig is jegens de curator. Het hof wees het verweer af dat het Nederlandse vonnis niet in Oostenrijk uitvoerbaar zou zijn, gelet op een Oostenrijks vonnis dat de uitvoerbaarheid bevestigde.
De Hoge Raad verwierp in cassatie de middelen van de gefailleerde. Hij bevestigde dat de curator belang heeft bij de vordering en dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de internationale bevoegdheid niet wordt bepaald door het toepasselijke recht op de onrechtmatige daad, maar door internationaal bevoegdheidsrecht. Het faillissement heeft territoriale werking, waardoor de gefailleerde bevoegd is om in Oostenrijk zijn rechten uit te oefenen en de curator een volmacht te verlenen. De Hoge Raad verwierp ook het verweer dat de onrechtmatige daad in Oostenrijk zou zijn gepleegd en dat de EEX-Verordening toepassing zou vinden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het belang van de curator, en verwerpt het cassatieberoep van de gefailleerde.