ECLI:NL:PHR:2007:AZ3534
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en spoedeisend belang bij vordering tot zekerheidstelling bankgarantie in kort geding
Deze zaak betreft een vordering tot zekerheidstelling door middel van een bankgarantie, ingesteld in kort geding door verweerster tegen eiseres, naar aanleiding van een arbitraal vonnis. De kern van het geschil was de vraag of de president van de rechtbank bevoegd was om kennis te nemen van deze vordering op grond van het EEX-Verdrag.
In eerdere procedures oordeelde de president bevoegd te zijn, maar het hof verklaarde hem onbevoegd. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof, waarbij werd geoordeeld dat de gevorderde zekerheidstelling een voorlopige of bewarende maatregel is in de zin van art. 24 EEX Pro-Verdrag. Het hof bevestigde vervolgens de bevoegdheid van de president en oordeelde dat het spoedeisend belang van verweerster voldoende aannemelijk was.
Eiseres voerde in cassatie onder meer aan dat de bodemprocedure niet aanhangig was bij een bevoegde rechter en dat de vordering was verjaard. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde de bevoegdheid van de president en oordeelde dat de stuiting van verjaring door eerdere procedures ook voor de zekerheidstellingsvordering geldt. De vordering tot zekerheidstelling is daarmee toewijsbaar als conservatoire maatregel in afwachting van de bodemprocedure.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de president rechtbank en wijst de vordering tot zekerheidstelling toe wegens voldoende spoedeisend belang.